Deze week schrijven wij over een uitspraak waarin een werknemer, die jarenlang buiten medeweten van de werkgever een klant van de werkgever naar zichzelf toetrok, uiteindelijk niet alleen zijn baan kwijtraakte maar ook bijna € 200.000 aan schadevergoeding moet betalen. De rechtbank Noord-Holland oordeelde op 5 augustus 2026 dat overtreding van een nevenwerkzaamhedenbeding tot een aanzienlijke schadevergoeding kan leiden, ook nadat de werknemer al op staande voet is ontslagen.
Wat was er in deze zaak aan de hand?
Een bedrijf dat stands en projecten voor beurzen en zakelijke evenementen ontwerpt en realiseert, had een werknemer sinds december 2012 in dienst als projectleider. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte een concurrentie- en een nevenwerkzaamhedenbeding. Op grond daarvan mocht hij tijdens het dienstverband niet voor een andere partij werken of voor eigen rekening zakendoen. Als projectleider beheerde hij de relatie met een Amerikaanse klant die vergelijkbare werkzaamheden verrichtte als de werkgever zelf. Al in januari 2019 benaderde de werknemer, via zijn privé-e-mailadres, zijn contactpersoon bij die klant met een voorstel voor rechtstreekse samenwerking buiten de werkgever om en wel met de uitdrukkelijke wens dit “under the radar” te houden. Tussen 2019 en 2022 volgde uitgebreid WhatsApp-contact over verdere samenwerking, waaronder besprekingen over de juridische risico’s daarvan.
In maart 2025 werd de werkgever getipt dat de werknemer onder werktijd een beursstand opzette voor een klant zonder lopende opdracht, en een collega had gevraagd dit niet te vertellen. Een ingeschakelde IT-leverancier trof op zijn laptop berichten, offertes, kostenbegrotingen en ontwerpen aan voor projecten van de Amerikaanse klant die niet aan de werkgever waren uitbesteed. Op 28 maart 2025 erkende de werknemer dat hij op “een dun lijntje” had gelopen en werd hij diezelfde dag op staande voet ontslagen. Uit de bevestigingsbrief bleek dat hij op 11 maart 2024 een eigen onderneming had opgericht van waaruit hij, deels binnen werktijd, offertes had uitgebracht en gefactureerd aan klanten van de werkgever. De werkgever verrekende een deel van de schade met de eindafrekening. Op 4 augustus 2025 oordeelde de kantonrechter in Utrecht in een aparte, inmiddels onherroepelijke procedure dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was gegeven.
In de onderhavige (en dus separate) procedure vorderde de werkgever een schadevergoeding van € 227.942,13, bestaande uit gederfde winst, misbruikte kortingspunten, de wettelijke gefixeerde schadevergoeding en kosten voor het vaststellen van de schade. De werknemer voerde verweer: hij achtte zich al voldoende “gestraft” met het ontslag, betwistte de schade en causaal verband, en de omvang van de gevorderde bedragen.
De overwegingen en het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter stelt vast dat de werknemer heeft erkend tijdens zijn dienstverband concurrerende nevenwerkzaamheden voor eigen gewin te hebben verricht. Daarmee heeft hij het nevenwerkzaamhedenbeding geschonden en in strijd gehandeld met goed werknemerschap. Dit levert een toerekenbare tekortkoming op. Het verweer van de werknemer dat het beding bij hem niet meer “on top of mind” was en de wetgeving in 2022 is gewijzigd, faalt. Het beding blijft geldig en het handelen van de werknemer zou ook zonder dat beding onrechtmatig zijn geweest. Dat hij voor dezelfde gedragingen al is ontslagen op staande voet, betekent niet dat de werkgever de geleden schade niet afzonderlijk kan verhalen.
Het belangrijkste geschilpunt betrof het causaal verband met de gestelde gederfde winst. De werknemer voerde aan dat de Amerikaanse klant al in 2019 autonoom en uit onvrede had besloten te stoppen met de werkgever, en dat werknemer pas vanaf 2023 op verzoek van die klant enkele projecten had opgepakt, waarbij die projecten anders sowieso niet bij de werkgever terecht waren gekomen.
De kantonrechter gaat hier niet in mee. Uit de correspondentie blijkt dat de werknemer zelf al in januari 2019 het initiatief had genomen voor een rechtstreekse samenwerking, dat dit onderwerp de jaren daarna voortdurend terugkeerde, en dat dit in 2023 leidde tot rechtstreekse, voor eigen rekening uitgevoerde projecten. De documenten over de gestelde beëindiging in 2019 dateren van ná zijn eigen voorstel, terwijl uit WhatsApp-berichten blijkt dat beiden zich toen al bewust waren van de juridische risico’s. Aannemelijker is dat de beslissing van de klant is ingegeven door dat voornemen dan door onvrede. Dit wordt bevestigd omdat de klant in 2022 nog een opdracht verstrekte. Als relatiebeheerder had het op de weg van werknemer gelegen om onvrede weg te nemen en daarvan is niet gebleken. Achteraf opgestelde verklaringen van zijn contactpersoon kregen, gelet op diens belang, geen bewijswaarde.
Voor de hoogte van de gederfde winst hanteerde de werkgever een marge van circa 40%, gebaseerd op zijn eigen gemiddelde marge op eerdere projecten en bovendien een percentage dat de werknemer zelf ook hanteerde. Van de zeventien projecten erkende hij er drie. Voor de overige voerde hij ongemotiveerd verweer, terwijl juist hij, met volledige toegang tot zijn eigen administratie, dit gemotiveerd had moeten weerleggen. Dat is niet gelukt, mede omdat op zijn laptop concrete offertes en ontwerpen voor de betwiste projecten waren aangetroffen. Wel volgde de kantonrechter hem erin dat de gehanteerde marge de brutowinst betrof. Om die reden werd 10% in mindering gebracht en de gederfde winst begroot op € 188.000, in plaats van de gevorderde € 208.971,01.
Ook de vordering wegens misbruikte Expedia-kortingspunten werd toegewezen. De werknemer had onbetwist bedrijfspunten gebruikt voor boekingen ten behoeve van zijn eigen nevenactiviteiten, waarmee hij zich ten koste van de werkgever ongerechtvaardigd had verrijkt. Zijn verweer dat dit gebruikelijk zou zijn werd verworpen. De werkgever had dit met verklaringen van drie werknemers succesvol weerlegd. De gefixeerde schadevergoeding werd eveneens toegewezen, waarbij voor de door de werknemer bepleite matiging geen ruimte bestond, omdat artikel 7:677 lid 5 BW matiging tot minder dan het loon over de wettelijke opzegtermijn niet toestaat en dat bedrag was precies wat werd gevorderd.
Ten slotte beoordeelde de kantonrechter de kosten voor het vaststellen van de schade (artikel 6:96 lid 2 onder b BW). De kosten van de IT-leverancier (€ 544,50) werden toegewezen, omdat dit onderzoek ook voor deze procedure noodzakelijk was. De gevorderde interne uren (bijna 134 uur) werden slechts gedeeltelijk toegewezen. Een deel was besteed aan het ontslaggesprek, de financiële afwikkeling en het beoordelen van procescorrespondentie. Die kosten vallen volgens de kantonrechter niet onder artikel 6:96 BW. Bovendien waren de uurtarieven onvoldoende onderbouwd. De post interne uren werd naar redelijkheid begroot op € 8.000. Per saldo begrootte de kantonrechter de totale schade op € 205.224,32. Omdat de werkgever daarvan al € 6.365,21 had verrekend met de eindafrekening van de werknemer, wordt hij veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van € 198.859,11, vermeerderd met wettelijke rente, plus de beslag- en proceskosten.
Lees de volledige uitspraak hier.
Wat betekent dit voor werkgevers en werknemers?
Deze uitspraak laat zien dat een ontslag op staande voet en een schadevergoedingsvordering elkaar niet uitsluiten. Een werknemer die is ontslagen wegens wanprestatie, kan daarna nog worden aangesproken tot vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade. Voor werkgevers is van belang dat een goed gedocumenteerd nevenwerkzaamhedenbeding, gecombineerd met gedegen bewijsvergaring, een stevige basis biedt voor zowel het ontslag als een aansluitende schadeclaim.
Voor de onderbouwing van gederfde winst geldt dat van de werknemer wordt verwacht dat hij onderbouwde stellingen gemotiveerd weerlegt, zeker als hij zelf over de relevante administratie beschikt. Een blote betwisting is onvoldoende. De correctie op de winstmarge laat wel zien dat de rechter ook dan kritisch kijkt naar de precieze berekeningswijze van de schade.
Voor werknemers is de les dat het bedienen van klanten van de werkgever tijdens het dienstverband tot aanzienlijke persoonlijke aansprakelijkheid kan leiden, ook los van een ontslag op staande voet, en dat ook oneigenlijk gebruik van bedrijfsvoordelen als ongerechtvaardigde verrijking kan gelden.
Heeft u vragen over een nevenwerkzaamheden- of concurrentiebeding of over de onderbouwing van een schadevergoedingsvordering? Neem gerust contact op met de arbeidsrechtadvocaten van SPEE advocaten & mediation.
𝘮𝘳. 𝘋𝘪𝘦𝘥𝘦𝘳𝘪𝘤𝘬 𝘓𝘶𝘪𝘫𝘤𝘬𝘹, 𝘢𝘥𝘷𝘰𝘤𝘢𝘢𝘵