Begin dit jaar schreven wij al over de betekenis van een concept-testament en de rol die redelijkheid en billijkheid daarbij kan spelen. Inmiddels is er een nieuwe uitspraak die dit onderwerp opnieuw actueel maakt. De Rechtbank Amsterdam oordeelde op 8 juli 2026 dat toepassing van het wettelijke versterferfrecht in een geval waarin het testament nooit is getekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Wat was er in deze zaak aan de hand?
Een vrouw en haar partner hadden sinds 2003 een relatie en sloten in 2006 een samenlevingsovereenkomst. Zij hadden twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2012. Op het moment van haar overlijden in 2025 had de vrouw geen testament.
Op 30 mei 2025 werd bij haar een niet-behandelbare hersentumor geconstateerd. Zij en haar partner namen daarop contact op met een notariskantoor. Tijdens een bespreking bespraken zij hun wensen, die de notaris verwerkte in gelijkluidende concept-testamenten. Op 7 juli 2025 werden de concepten digitaal beschikbaar gesteld, met een toelichting: de langstlevende partner zou enig erfgenaam zijn, de kinderen zouden een niet-rentedragend legaat ter grootte van hun erfdeel krijgen (opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende, of eerder in specifieke gevallen), er was een voogdijregeling, een testamentair bewind over het legaat, en de partner zou executeur worden.
Op verzoek van de partner werd alleen een verkeerd gespelde naam gecorrigeerd; op de afhandeling van de erfenis zelf werden geen wijzigingen aangebracht. Wel wees de notaris erop dat de samenlevingsovereenkomst mogelijk als beëindigd kon worden beschouwd, omdat de partners zich niet op dezelfde dag hadden ingeschreven op hun adres, en stelde zij daarvoor een aanvulling voor. Op 8 juli 2025 werd afgesproken dat de notaris de volgende dag bij het echtpaar thuis zou langskomen om te tekenen, omdat de vrouw niet meer naar het kantoor kon komen. Een uur voor die afspraak werd zij met spoed opgenomen vanwege een epileptische aanval, verloor zij het bewustzijn en is dit niet meer teruggekregen. Het concept-testament kon daardoor niet meer worden getekend.
De partner vorderde een verklaring voor recht dat de erfopvolging volgens het concept-testament diende plaats te vinden in plaats van het versterferfrecht, en dat de samenlevingsovereenkomst nog rechtsgeldig was. Omdat de kinderen als wettelijke erfgenamen belanghebbenden waren, benoemde de kantonrechter een bijzonder curator om hun belangen te vertegenwoordigen. Deze voerde geen verweer en achtte toepassing van het concept-testament juist in het belang van de kinderen.
De overwegingen en het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat erfopvolging in beginsel via het versterferfrecht verloopt en dat afwijking daarvan alleen mogelijk is bij een testament dat op straffe van ongeldigheid door een notaris moet worden opgemaakt en door de erflater moet zijn ondertekend. De notariële akte waarborgt dat het testament de werkelijke wil van de erflater weergeeft.
In uitzonderlijke gevallen kan de rechter dit vormvereiste toch buiten toepassing laten, als de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de artikelen 3:12 en 6:2 BW dat eisen. De rechtbank moet daarbij terughoudend zijn: alleen bij onaanvaardbare gevolgen kan van het wettelijke stelsel worden afgeweken, omdat dit stelsel de rechtszekerheid van de aangewezen erfgenamen dient.
Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is hier volgens de rechtbank wél sprake. Vaststaat dat de vrouw van plan was haar uiterste wil vast te leggen en dat alleen haar onverwachte overlijden dit verhinderde. Zij had haar wensen met de notaris besproken, deze waren verwerkt in het concept, en zij had daarop geen inhoudelijke wijzigingen laten aanbrengen – alleen een verschrijving werd hersteld en een fiscaal gunstige aanvulling toegevoegd. Er was al een afspraak gemaakt om te tekenen. Een schriftelijke verklaring van de notaris bevestigde dit, en verklaringen van vrienden en familie bevestigden dat de vrouw wilde dat haar partner met de kinderen zonder financiële zorgen kon blijven wonen en dat haar erfenis vanwege het belastingvoordeel naar hem zou gaan. Het concept bevatte bovendien geen open plekken of doorhalingen meer. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de inhoud van het laatste concept overeenstemde met haar werkelijke laatste wil, en dat zij dit had laten passeren als zij niet was overleden.
Vervolgens toetst de rechtbank afzonderlijk of toepassing van het concept-testament ook in het belang van de kinderen is. De bijzonder curator had met de kinderen gesproken: zij wisten dat hun ouders met een testament bezig waren geweest en konden instemmen met het alsnog geldig verklaren van het concept. Volgens de bijzonder curator is dit in hun belang, omdat het gebruikelijk is dat bij overlijden van een ouder eerst de andere ouder erft, omdat toepassing van het versterferfrecht tot een aanzienlijk hogere erfbelasting voor de kinderen zou leiden – gelet op het grote verschil in vrijstelling tussen een partner (€ 804.698) en kinderen (elk € 25.490) – en omdat dit hun woonsituatie in gevaar zou kunnen brengen. Bovendien zijn de kinderen in het eigen testament van de partner enige erfgenamen, zodat hun aanspraken via zijn nalatenschap alsnog zijn veiliggesteld. De bijzonder curator vond, na apart met de partner te hebben gesproken, geen aanwijzing dat deze zijn eigen belang boven dat van de kinderen zou stellen.
De rechtbank concludeert dat de rechtszekerheid die met de vormvereisten van een testament wordt gediend, hier niet opweegt tegen de belangen van de partner en vooral de kinderen, en tegen de wens van de vrouw om de gevolgen van haar overlijden goed te regelen. Dit sluit bovendien aan bij de in Nederland levende rechtsovertuiging dat bij overlijden van een ouder eerst de andere ouder erft, zodat het gezin zoveel mogelijk kan doorgaan zonder ingrijpende veranderingen zoals een gedwongen verhuizing. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat de erfopvolging volgens het concept-testament moet plaatsvinden.
Ten aanzien van de samenlevingsovereenkomst oordeelt de rechtbank dat, gelet op de onderbouwde stelling van de partner – met leveringsaktes van de gezamenlijke woningen – en het ontbreken van verweer, voldoende vaststaat dat de partners ononderbroken hebben samengewoond en de overeenkomst pas door het overlijden is ontbonden. Dat is van belang omdat het concept-testament een regeling bevat op grond van artikel 4:82 BW, die vereist dat sprake is van samenwoning en een samenlevingsovereenkomst, waardoor het beroep van de kinderen op hun legitieme portie pas opeisbaar wordt na het overlijden van de langstlevende partner.
Lees de volledige uitspraak hier.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze uitspraak laat zien dat een testament dat nooit notarieel is gepasseerd, in zeer uitzonderlijke omstandigheden toch als grondslag voor de erfopvolging kan dienen. Doorslaggevend was hier dat uit een samenhangend geheel van omstandigheden – het gesprek met de notaris, het ontbreken van inhoudelijke wijzigingen, de reeds geplande ondertekening en de verklaringen van derden – buiten twijfel kwam vast te staan wat de werkelijke laatste wil van de erflaatster was, en dat alleen haar plotselinge overlijden de formele voltooiing verhinderde.
Dit is geen vrijbrief om bij ieder onafgemaakt testament een beroep te doen op de redelijkheid en billijkheid: de rechtbank benadrukt terughoudend te zijn en dat de rechtszekerheid van het wettelijke erfrecht in beginsel zwaar weegt. Naarmate er meer onduidelijkheid bestaat over de precieze wensen van de erflater, of naarmate er nog open punten of mogelijke wijzigingen in een concept zaten, zal een beroep op deze uitzondering minder snel slagen.
Voor gezinnen met minderjarige kinderen laat de zaak zien hoe zwaar hun belang meeweegt. De rechtbank toetst dit afzonderlijk en kan de kinderen via een bijzonder curator ook zelf horen.
Heeft u vragen over een testament, het versterferfrecht of een samenlevingsovereenkomst? Neem gerust contact op met onze erfrechtadvocaten. Wij denken graag met u mee.
𝘮𝘳. 𝘋𝘪𝘦𝘥𝘦𝘳𝘪𝘤𝘬 𝘓𝘶𝘪𝘫𝘤𝘬𝘹, 𝘢𝘥𝘷𝘰𝘤𝘢𝘢𝘵