In de praktijk levert de berekening van kinderalimentatie – zeker als er sprake is van meerdere kinderen van verschillende ouders – helaas regelmatig geschillen op. Uit een recente uitspaak van de Rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:5673) volgt hoe de rechter kan omgaan met de verdeling van de draagkracht als er sprake is van zowel “eigen” kinderen als “stief” kinderen.
Wat speelde er in deze zaak?
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. In 2017 zijn zij gescheiden. Uit deze relatie is een zoon geboren (kind 1). Hij heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw en heeft omgang met de man. De rechter heeft in 2017 geoordeeld dat de man kinderalimentatie voor kind 1 aan de vrouw dient te voldoen.
Op een later moment trouwt de man opnieuw. Uit dit huwelijk wordt ook een zoon geboren (kind 2). De nieuwe partner van de man heeft een dochter uit een andere relatie (kind 3).
In 2025 verzoekt de moeder van kind 1 aan de rechtbank om de in 2017 vastgestelde kinderalimentatie voor kind 1 te verhogen. Zij stelt dat de beschikking uit 2017 als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.
Juridisch kader
Gewijzigde omstandigheden
Op grond van de wet kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd wanneer zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Vast staat dat de man opnieuw vader is geworden (en dus behalve kind 1 ook onderhoudsplichtig is geworden voor kind 2). Hierdoor is er sprake van wijziging van omstandigheden, waardoor de hoogte van de kinderalimentatie opnieuw moet worden berekend met in achtneming van de huidige omstandigheden.
Onderhoudsplicht voor stiefkinderen
In de wet staat beschreven dat een stiefouder – naast de ouders – ook onderhoudsplichtig is jegens zijn/haar stiefkinderen. Men wordt stiefouder als je een huwelijk of een geregistreerd partnerschap aangaat met de ouder van het kind én als het kind in het gezin van de stiefouder woont. Dit is in deze zaak het geval. Hiermee is de man ook onderhoudsplichtig geworden jegens kind 3.
Een stiefouder is verplicht om gedurende zijn/haar huwelijk danwel geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn/haar gezin behorende minderjarige kinderen van zijn/haar echtgenoot of geregistreerde partner.
In beginsel is de onderhoudsverplichting voor een biologisch kind en een stiefkind van gelijke rang.
Hoe oordeelt de rechter in deze zaak?
De man is onderhoudsplichtig voor 3 kinderen. In deze zaak berekent de rechtbank voor alle kinderen welk bedrag de man voor hen moet betalen. Dit is afhankelijk van de behoefte van het betreffende kind (die wordt vastgesteld op basis van het gezinsinkomen van diens ouders tijdens de relatie) en de draagkracht van alle alimentatieplichtigen. Voor kind 1 en kind 2 zijn de biologische ouders onderhoudsplichtig, maar voor kind 3 zijn dit de biologische ouders én de stiefouder. De draagkracht van de man wordt naar rato verdeeld over de behoefte van de 3 kinderen.
Voor kind 2 en 3 hebben de onderhoudsplichtigen voldoende draagkracht om in hun volledige behoefte te voorzien. Echter, de onderhoudsplichtigen (in dit geval de biologische ouders van kind 1) hebben samen onvoldoende draagkracht om in de behoefte van kind 1 te voorzien.
De rechtbank staat voor de keuze: óf het teveel aan draagkracht voor kind 2 en kind 3 (dat de man nog heeft na betaling voor kind 2 en kind 3) op te tellen bij de draagkracht voor kind 1 (dat de man te weinig heeft voor kind 1), óf nu er een tekort is in de draagkracht voor kind 1 en de ouders van kind 3 wel volledig in haar behoefte kunnen voorzien, te bepalen dat de man geen bijdrage behoeft te betalen voor kind 3.
De rechtbank kiest voor de laatste oplossing nu zij deze, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het meest redelijk vindt. Dit betekent dat de draagkracht van de man wordt verdeeld over zijn biologische kinderen, te weten kind 1 en kind 2. Zijn stiefkind wordt niet meegenomen in de berekening, aangezien haar biologische ouders voldoende draagkracht hebben om in haar behoefte te voorzien. De stiefouderverplichting blijft dus bestaan, maar wordt feitelijk niet toegepast omdat de biologische ouders van het stiefkind voldoende draagkracht hebben om in haar behoefte te voorzien. Hierna heeft de rechtbank opnieuw de hoogte van de te betalen kinderalimentatie voor de kinderen berekend.
Conclusie
De uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2026 laat zien dat de rechter bij het berekenen van kinderalimentatie eigen kinderen kan laten voorgaan op stiefkinderen, wanneer de draagkracht van de stiefouder beperkt is en de biologische ouders van het stiefkind voldoende draagkracht hebben. Er wordt een belangenafweging gemaakt op basis van redelijkheid en billijkheid. Om te beoordelen welke feiten in een dergelijke situatie van belang zijn, is het aan te raden om hierbij juridisch advies van een in het familierecht gespecialiseerde advocaat in te winnen.
Bij SPEE advocaten & mediation hebben wij ruime ervaring in het familierecht. Wij begeleiden cliënten in Maastricht en daarbuiten met deskundig en betrokken advies. Heeft u vragen over het berekenen van kinderalimentatie of wilt u weten wat deze uitspraak voor uw situatie kan betekenen, neem dan gerust contact met ons op.
mr. Patty M.J. Wetzels, advocaat