Bij een echtscheiding wordt bij partneralimentatie vaak vooral gekeken naar het verschil in inkomen tussen beide ex-echtgenoten. Maar inkomen is niet het hele verhaal. Ook het vermogen dat iemand na de verdeling van de huwelijksgemeenschap ter beschikking krijgt, kan bepalend zijn voor de vraag of er recht bestaat op partneralimentatie.
Dat blijkt duidelijk uit een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. Hoewel de man circa € 40.000 netto per maand verdiende en de vrouw jarenlang niet had gewerkt, wees de rechtbank haar verzoek om ruim € 24.000 bruto partneralimentatie per maand volledig af.
Doorslaggevend was het aanzienlijke vermogen dat zij na de verdeling zou ontvangen. Volgens de rechtbank mocht van haar worden verwacht dat zij dit vermogen inzet om zelf in haar levensonderhoud te voorzien.
De uitspraak laat zien dat bij partneralimentatie niet alleen wordt gekeken naar wat iemand nodig heeft, maar vooral ook naar de vraag in hoeverre iemand met eigen inkomen én vermogen zelf in die behoefte kan voorzien.
Wat is partneralimentatie?
Partneralimentatie is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud die een ex-echtgenoot betaalt aan de ander na echtscheiding. Volgens de wet heeft een echtgenoot alleen recht heeft op partneralimentatie als hij of zij onvoldoende inkomsten heeft om in het eigen levensonderhoud te voorzien en dit redelijkerwijs ook niet kan verdienen.
Twee begrippen zijn daarbij belangrijk: behoefte en behoeftigheid. De behoefte is het bedrag dat iemand nodig heeft om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien, gebaseerd op de welstand tijdens het huwelijk. De behoeftigheid bepaalt of die persoon dat bedrag ook werkelijk niet zelf kan opbrengen, rekening houdend met eigen inkomen en vermogen. Eigen vermogen, en het rendement dat daaruit redelijkerwijs kan worden behaald, telt mee bij de beoordeling of iemand behoeftig is. Zelfs interen op vermogen kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, van iemand worden verwacht.
Recente jurisprudentie
De rechtbank Amsterdam deed op 14 augustus 2026 uitspraak in een echtscheidingszaak met een internationaal karakter (ECLI:NL:RBAMS:2026:8342).
Partijen waren in 2000 in Groot-Brittannië getrouwd en hadden twee inmiddels meerderjarige dochters. De vrouw verzocht een partneralimentatie van € 24.365 bruto per maand, gebaseerd op het huidige inkomen van de man van circa € 40.000 netto per maand dat hij verdiende in zijn functie in Zwitserland.
De rechtbank stelde de behoefte van de vrouw veel lager vast. Omdat het gezinsinkomen jarenlang circa € 7.500 netto per maand bedroeg en het uitgavenpatroon van partijen niet aantoonbaar was meegestegen met het hogere inkomen van de man, paste de rechtbank de hofnorm toe op het eerdere inkomensniveau. Na aftrek van de kosten van de kinderen en na indexering kwam de behoefte uit op € 4.030 netto per maand.
Vervolgens beoordeelde de rechtbank of de vrouw behoeftig was. Haar verdiencapaciteit werd niet aangenomen: de vrouw had jarenlang niet gewerkt, voor de kinderen gezorgd en had gelet op haar leeftijd weinig kansen op de arbeidsmarkt. Dat erkende de rechtbank.
Maar dan het vermogen. Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Het totale vermogen bedroeg meer dan € 4 miljoen. Na verdeling ontving de vrouw een aandeel van naar verwachting meer dan € 2.000.000. De rechtbank oordeelde dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij dit vermogen verstandig en renderend belegt. Bij een rendement van 3% genereert zij jaarlijks € 60.000, wat haar behoefte van € 48.360 per jaar ruimschoots dekt. Zelfs als zij alleen zou interen op het vermogen, zou dat gedurende lange tijd toereikend zijn. Het verzoek om partneralimentatie werd daarom afgewezen.
De rechtbank voegde toe dat de keuze van de vrouw om mogelijk in een dure woning te blijven wonen, waardoor een groot deel van het vermogen geen rendement oplevert, niet mag leiden tot een hogere alimentatieverplichting voor de man.
Praktische adviezen
– Breng uw vermogenspositie vroeg in kaart: Bij de beoordeling van uw recht op het ontvangen van of uw verplichting tot het betalen van alimentatie, speelt uw eigen vermogen na de verdeling een rol. Laat tijdig een berekening maken van wat u na verdeling toekomt en wat dat voor uw alimentatierecht of -verplichting betekent.
– Onderbouw de behoefte met concrete gegevens uit het huwelijk: De rechtbank kijkt naar de welstand tijdens het huwelijk. Uitgaven van ná de scheiding tellen niet mee voor de behoeftebepaling. Bewaar bonnen, bankafschriften en belastingaangiften uit de huwelijkse periode.
– Weet dat u uw vermogen zoveel mogelijk renderend moet beleggen: Verwacht niet dat een lage beleggingsopbrengst door een eigen keuze automatisch leidt tot recht op alimentatie. De rechter gaat uit van een objectief haalbaar rendement.
Conclusie
De uitspraak van Rechtbank Amsterdam illustreert dat een verzoek om partneralimentatie niet zomaar slaagt als de verzoekende partij na verdeling over een aanzienlijk vermogen beschikt. De rechter verwacht dat dit vermogen wordt ingezet om in eigen levensonderhoud te voorzien. Daarbij geldt een objectieve maatstaf: een redelijk haalbaar rendement. Het feit dat iemand jarenlang geen carrière heeft kunnen opbouwen door zorgtaken, wordt weliswaar meegewogen, maar geeft geen onbeperkt recht op een bijdrage van de ander als vermogen een alternatief biedt.
Partneralimentatie is een complex onderwerp waarbij uw persoonlijke situatie bepalend is voor de uitkomst. Wacht niet te lang met het inwinnen van juridisch advies, zeker niet als u vlak voor een echtscheiding staat of de verdeling van uw huwelijksvermogen nadert.
Heeft u vragen over partneralimentatie of echtscheiding of verdeling van uw huwelijksgemeenschap of andere familierechtelijke kwesties? De familierechtadvocaten van SPEE advocaten & mediation staan u graag bij. Met hun specialisme in personen- en familierecht bieden zij u heldere, praktische begeleiding. Neem gerust contact op voor een gesprek.
mr. Angelique van den Eshoff, advocaat