Deze week schrijven wij over een uitspraak waarin een uitzendkracht op staande voet werd ontslagen, omdat hij zou hebben geprobeerd twee boxershorts van het bedrijf waar hij was uitgeleend mee te nemen. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde op 15 september 2026 dat het uitzendbureau onvoldoende feiten had gesteld voor een dringende reden. De uitzendkracht kreeg daarom verschillende vergoedingen toegekend.
Waar het om draait in deze zaak
Een man werkte sinds 17 juni 2024 op basis van een uitzendovereenkomst en was uitgeleend aan een bedrijf, waar hij werkte als medewerker van het Inbound team. Op 6 maart 2026 werd zijn tas aan het einde van zijn dienst gecontroleerd door twee beveiligers. In de tas zaten onder meer twee boxershorts van het merk Calvin Klein. Diezelfde dag ontsloeg het uitzendbureau hem op staande voet. Volgens de ontslagbrief had hij geprobeerd goederen van de opdrachtgever weg te nemen. Het ging om twee onderbroeken uit een nieuwe collectie, die nog niet beschikbaar was voor particulieren.
Volgens het uitzendbureau geldt bij het bedrijf waar hij was uitgeleend een beleid dat het verboden is kleding van Calvin Klein of Tommy Hilfiger bij zich te hebben op het werk. Verlaat een medewerker met zulke kleding het pand, dan gaat het bedrijf ervan uit dat hij kleding van het bedrijf wil wegnemen, tenzij hij met een aankoopbewijs het tegendeel bewijst. Dat bewijs had de man niet geleverd.
De man betwistte dat hij iets probeerde weg te nemen. Volgens hem waren de boxershorts van hem. Hij had ze enkele maanden eerder gekocht op een sample sale van het bedrijf, waar aan medewerkers kleding wordt verkocht die niet meer in de winkel ligt. De boxershorts werden per drie verkocht en de derde had hij nog in zijn bezit. Hij had vaker extra boxershorts in zijn tas om na het werk te gaan sporten. Ook kon hij op zijn afdeling geen kleding wegnemen, omdat de pallets met kleding daar verzegeld binnenkomen en de verzegeling pas op de afdeling Orderpicking verdwijnt.
De man vroeg de kantonrechter om een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, met rente en incassokosten.
Waarom hield het ontslag op staande voet geen stand?
De kantonrechter stelt voorop dat een ontslag op staande voet een uiterst middel is, gelet op de grote financiële gevolgen voor de werknemer. Er moet een dringende reden zijn en het ontslag moet onverwijld worden gegeven. Een dringende reden bestaat uit daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer waardoor van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. Het uitzendbureau moet daarvoor voldoende feiten en omstandigheden stellen.
Volgens de kantonrechter had het op de weg van het uitzendbureau gelegen om te reageren op wat de man had aangevoerd. Dat de boxershorts per drie werden verpakt en dat hij de derde nog in zijn bezit had, terwijl ze niet meer in de winkel te koop waren, is een aanwijzing dat hij al drie boxershorts had voordat hij op 6 maart 2026 ging werken. Dat is ook een aanwijzing voor zijn verhaal dat hij ze eerder op een sample sale had gekocht. De man had foto’s van de derde boxershort overgelegd en bonnetjes van sample sales uit 2024 en 2025 waarop boxershorts staan vermeld. Het uitzendbureau stelde geen feiten en omstandigheden die dat verhaal weerspreken.
Ook op het punt van de verzegelde kleding had het uitzendbureau moeten reageren. De man kon op zijn afdeling niet bij kleding zonder verzegeling komen, omdat die pas op de afdeling Orderpicking wordt verwijderd. Een toereikende reactie ontbrak ook hier. Volgens de kantonrechter is dat een extra aanwijzing dat de boxershorts van de man zelf waren.
Het uitzendbureau stelde dus onvoldoende feiten waaruit blijkt dat de man op 6 maart 2026 goederen heeft geprobeerd weg te nemen. Ook het beleid van het bedrijf maakt dat niet anders. Volgens de man gold het verbod alleen tijdens sample sales en werd er laks mee omgegaan. Maar zelfs als het uitzendbureau wordt gevolgd en de man het verbod heeft overtreden, rechtvaardigt dat nog niet de conclusie dat hij de kleding wilde wegnemen. De dringende reden is daarom niet komen vast te staan en het ontslag is niet rechtsgeldig gegeven.
Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is, is sprake van een onregelmatige opzegging. Het uitzendbureau moet daarom een vergoeding betalen die gelijk is aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd. Bij een opzegging met de wettelijke opzegtermijn van een maand had de arbeidsovereenkomst nog tot 7 april 2026 geduurd. De man berekende dit onweersproken op € 2.989,13 bruto. Daarnaast is een transitievergoeding verschuldigd van € 1.554,33 bruto, berekend over een loon van € 2.717,39 bruto per maand.
Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is, is het uitzendbureau in beginsel ook een billijke vergoeding verschuldigd. Een niet rechtsgeldig ontslag is ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De man vroeg om € 12.500 bruto. Hij stelde onweersproken dat hij inkomsten had verloren en dat de beschuldiging van diefstal en zijn financiële zorgen tot stress hadden geleid. Daarna vond hij ander werk tegen een lager loon van € 1.650 bruto per maand.
De kantonrechter rekent de gemiste inkomsten door vanaf 7 april 2026, omdat de periode daarvoor is gedekt door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Tot 6 mei 2026, de dag waarop hij ander werk vond, miste hij € 2.612,20 bruto. Daarna miste hij € 1.067,39 bruto per maand, het verschil tussen zijn oude en nieuwe loon. Aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst zonder ontslag was voortgeduurd tot de overeengekomen einddatum van 26 juli 2026. Voor de periode van 6 mei tot en met 26 juli 2026 komt het verlies neer op € 2.857,85 bruto. In totaal is het inkomstenverlies daarmee € 5.470,05 bruto.
Een billijke vergoeding is een schatting en moet in verhouding staan tot het ernstig verwijtbare handelen. De kantonrechter rondt het bedrag daarom af op € 6.000 bruto. Daarbij weegt mee dat de man door de beschuldiging van diefstal is geraakt en dat van het uitzendbureau een kritischere houding op zijn plaats was, waarmee het ontslag wellicht was te voorkomen. Het uitzendbureau moet daarnaast de wettelijke rente, € 1.065,33 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.102 aan proceskosten betalen.
Lees de volledige uitspraak hier.
Wat neemt u hieruit mee?
Deze uitspraak laat zien dat een werkgever die een werknemer op staande voet ontslaat, zelf voldoende feiten moet stellen die de dringende reden onderbouwen. Een beroep op een vermoeden of het beleid van de opdrachtgever was hier onvoldoende, zeker nu de werknemer een onderbouwd verhaal had met foto’s en bonnetjes.
Voor uitzendbureaus is van belang dat zij als werkgever zelf een oordeel moeten vormen over een verwijt dat de opdrachtgever maakt. Wie een ontslag op staande voet geeft dat niet standhoudt, loopt bovendien het risico meerdere vergoedingen te moeten betalen.
Voor werknemers laat de zaak zien dat bonnetjes en foto’s waaruit blijkt dat spullen van henzelf zijn, in een procedure veel gewicht kunnen hebben. Het is verstandig om zulke stukken te bewaren.
Heeft u vragen over een ontslag op staande voet, de gevolgen van een niet rechtsgeldig ontslag of uw rechten en verplichtingen als uitzendbureau of uitzendkracht? Neem gerust contact op met onze arbeidsrechtadvocaten. Wij denken graag met u mee.
mr. Diederick P. Luijckx, advocaat