Wanneer een ouder overlijdt, is in het testament vaak geregeld dat de langstlevende echtgenoot de nalatenschap kan afwikkelen en dat de kinderen hun erfdeel pas op een later moment in geld ontvangen. Bij een zogenoemde quasi-wettelijke verdeling krijgt de langstlevende daarbij regelmatig ruime bevoegdheden als executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
Maar hoe ver reiken die bevoegdheden? Mag de langstlevende zelfstandig de waarde van de nalatenschap vaststellen en daarmee ook de hoogte van de geldvorderingen van de kinderen bepalen? En welke rechten hebben de kinderen wanneer zij het niet eens zijn met de gehanteerde waardering?
In een arrest van 7 juli 2026 heeft het gerechtshof Den Haag zich over deze problematiek uitgesproken. De uitspraak laat zien hoe belangrijk het onderscheid is tussen het beheer, de waardering en de verdeling van een nalatenschap. Wat houdt een quasi-wettelijke verdeling precies in, welke bevoegdheden heeft de langstlevende en wat betekent deze uitspraak voor de rechten van de kinderen?
Wat is een quasi-wettelijke verdeling?
Bij een wettelijke verdeling krijgt de langstlevende echtgenoot alle goederen van de nalatenschap, en krijgen de kinderen een geldvordering ter waarde van hun erfdeel. Die vordering is meestal pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende. Een testament kan de wettelijke verdeling uitsluiten en toch hetzelfde resultaat bereiken, door te bepalen dat de nalatenschap wordt verdeeld alsof er een wettelijke verdeling is. Dat heet een quasi-wettelijke verdeling. De langstlevende mag dan alle goederen aan zichzelf toedelen en de kinderen krijgen een geldvordering, berekend op het saldo van de nalatenschap.
Is het echtpaar gehuwd in gemeenschap van goederen, dan speelt nog iets mee. Bij het overlijden van de eerste echtgenoot wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden. Pas als vaststaat wat daartoe behoort en wat dat waard is, kan worden bepaald wat in de nalatenschap valt.
De wet en de quasi-wettelijke verdeling
De wettelijke verdeling is geregeld in artikel 4:13 BW. Een testament kan daarvan afwijken. In de zaak waarover het hof oordeelde, had de erflaatster de wettelijke verdeling uitgesloten en een quasi-wettelijke verdeling voorgeschreven. Haar echtgenoot was benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Een afwikkelingsbewindvoerder kan de nalatenschap met veel vrijheid beheren en afwikkelen, ook zonder medewerking van de andere erfgenamen.
Het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juli 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:2587)
In deze zaak overleed de moeder in 2021. Zij was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. In haar testament had zij haar echtgenoot voor 1/100e deel en haar drie kinderen voor het resterende deel tot erfgenaam benoemd, de wettelijke verdeling uitgesloten en een quasi-wettelijke verdeling voorgeschreven. De echtgenoot werd executeur en afwikkelingsbewindvoerder. In 2024 overleed ook hij. Zijn zoon, een van de drie kinderen, werd executeur van zijn nalatenschap.
Twee dochters wilden de vordering vaststellen die zij uit de nalatenschap van hun moeder op hun vader hadden. Zij vorderden in hoger beroep ieder een bedrag van ruim 1,2 miljoen euro, vermeerderd met 6% rente.
Inhoudelijk oordeelde het hof dat de wettelijke verdeling hier niet gold, en dat daarom eerst de huwelijksgemeenschap moest worden verdeeld, en pas daarna kon worden vastgesteld wat tot de nalatenschap van de moeder behoorde. Partijen verschilden daarover en over de waardering van vermogensbestanddelen sterk van mening. Volgens het hof had de vader als afwikkelingsbewindvoerder veel vrijheid, maar niet de vrijheid om naar eigen goeddunken de waarde te bepalen van de activa van de huwelijksgemeenschap en daarmee van de nalatenschap. Dat hij aan het einde van het bewind rekening en verantwoording moest afleggen, veranderde dat niet. Omdat de omvang en samenstelling van de nalatenschap niet konden worden vastgesteld, kon ook de vordering niet worden berekend.
Daarnaast hadden de dochters hun procedure in eerste aanleg eerst bij de kantonrechter gestart, terwijl zij voor een dergelijke procedure bij de rechtbank moesten zijn. Het Hof maakte duidelijk dat zij voor vorderingen die voortvloeien uit een quasi-wettelijke verdeling een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank hadden moeten starten.
Het hof wees de vordering van de dochters af. De proceskosten werden gecompenseerd.
Praktische adviezen
– Laat eerst de huwelijksgemeenschap verdelen. Zonder verdeling van de gemeenschap en een heldere waardering kan uw vordering uit de nalatenschap niet worden vastgesteld. Neem dit als eerste stap.
– Kies de juiste procedure: Vorderingen uit een quasi-wettelijke verdeling horen in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank. Een verkeerde route kost tijd en geld.
– Formuleer uw eis volledig en tijdig. Wijzigingen of uitbreidingen in hoger beroep worden niet altijd toegelaten. Neem alle vorderingen op in het eerste processtuk.
– Laat waarderingen onafhankelijk vaststellen. Laat de waarde van woning, onderneming of beleggingen bepalen door een onafhankelijke en deskundige taxateur, zodat niet één betrokkene dat naar eigen oordeel doet.
Conclusie
Een quasi-wettelijke verdeling en een afwikkelingsbewind geven de langstlevende veel ruimte, maar niet de ruimte om zelf te bepalen wat de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap waard zijn. Voor kinderen die hun vordering willen vaststellen, is het essentieel dat eerst de huwelijksgemeenschap wordt verdeeld en dat de juiste procedure wordt gekozen. Tijdig en deskundig advies voorkomt dat u na jaren van procederen met lege handen staat.
Heeft u vragen over uw testament, over uw rol als executeur of afwikkelingsbewindvoerder, of over de vordering die u als kind heeft op de langstlevende ouder? Neem dan contact op met mr. Angelique van den Eshoff van SPEE advocaten & mediation. Zij is gespecialiseerd in personen- en familierecht en erfrecht en denkt graag met u mee.
mr. Angelique van den Eshoff, advocaat