In de praktijk blijkt vaak dat als een ondernemer gaat scheiden of zijn/haar geregistreerd partnerschap wordt beëindigd, dit veel geschillen oplevert. Dat kan dan leiden tot complexe juridische procedures. Een recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2026 (volledige uitspraak) laat zien hoe de rechter oordeelt over geschillen tussen ex-partners, waarbij een onderneming is betrokken.
Wat speelde er in deze zaak?
Partijen zijn getrouwd in 2018 en hebben een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Zij zijn gehuwd in een beperkte gemeenschap van goederen. De man is huisarts en nam al vóór het huwelijk deel in een maatschap. In deze zaak zijn er veel geschillen tussen partijen. Twee van die geschilpunten springen in het kader van het ondernemerschap vooral in het oog.
Hoe wordt de behoefte aan partneralimentatie vastgesteld als de alimentatieplichtige een onderneming heeft?
Als één van de ex-partners niet in zijn/haar eigen levensonderhoud kan voorzien, kan hij/zij aan de rechter verzoeken om partneralimentatie vast te stellen. Dit wordt alleen toegewezen als de alimentatiegerechtigde aantoont dat hij/zij behoefte heeft aan een bijdrage én als de alimentatieplichtige voldoende draagkracht heeft.
In het algemeen maken rechters bij het vaststellen van de behoefte aan partneralimentatie gebruik van de zogenaamde ‘Hofnorm’. Hierbij wordt de behoefte vastgesteld aan de hand van de levensstandaard die partijen hadden tijdens het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Het netto gezinsinkomen dient te worden berekend. De behoefte van de alimentatiegerechtigde bedraagt 60% van dit bedrag. Op de huwelijksgerelateerde behoefte moet het eigen netto inkomen van de alimentatiegerechtigde in mindering worden gebracht. Het restant is de aanvullende behoefte aan partneralimentatie.
In de zaak die speelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant verschillen partijen van mening over de wijze waarop het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk moet worden berekend. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winstdeling van de maatschap over de jaren 2021 tot en met 2023.
De man is van mening dat dit berekend moet worden aan de hand van de gemiddelde winst over de jaren 2018 tot en met 2022. In deze jaren heeft hij een fluctuerend inkomen gehad. Hij stelt dat niet uitgegaan moet worden van het jaar 2023, omdat dat jaar een vertekend beeld geeft. De winst was in 2023 eenmalig uitzonderlijk hoog.
De rechtbank stelt vast dat het bij een ondernemer gebruikelijk is om uit te gaan van de gemiddelde winst die hij/zij aan de onderneming heeft onttrokken, in de laatste 3 jaren voorafgaand aan de beëindiging van de relatie. Er moet worden uitgegaan van een gemiddelde, aangezien inkomensschommelingen normaal zijn bij het voeren van een onderneming. Dit is wat partijen feitelijk hebben besteed.
Heeft de vrouw recht op de helft van het tijdens het huwelijk toegenomen ondernemingsvermogen van de maatschap?
Aangezien de man vóór het huwelijk al deelnam in de maatschap, valt deze buiten de huwelijksgoederengemeenschap.
In de wet staat dat als een personenvennootschap (dit is een maatschap) buiten de gemeenschap valt en de ondernemer in grote mate zelf kan bepalen of de winst aan hem wordt uitgekeerd, er een redelijke vergoeding aan de gemeenschap toekomt voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de ondernemer ten behoeve van die onderneming heeft aangewend. Dit geldt alleen als deze vergoeding niet al op een andere wijze aan de echtgenoten zijn toegekomen.
De vrouw verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat zij een vordering op de man heeft ter grootte van de helft van de toename van het ondernemingsvermogen in de maatschap over de huwelijkse periode. De vrouw voert aan dat de man tijdens het huwelijk niet zijn gehele aandeel in de winst van de maatschap als inkomen heeft opgenomen, maar een deel in de maatschap heeft gelaten. Zij is van mening dat de toename van het ondernemingsvermogen – ontstaan tijdens het huwelijk – tot de gemeenschap van partijen behoort en voor de helft aan haar toekomt. Zij stelt dat als de man de volledige toename van het ondernemingsvermogen aan zichzelf had uitgekeerd, dit bedrag op de bankrekening van partijen was gekomen. De grootte van de vordering is volgens de vrouw het verschil tussen het ondernemingsvermogen van begin 2018 ten opzichte van december 2024.
De man verzoekt de rechtbank om dit verzoek af te wijzen. Hij stelt dat zijn aandeel in de maatschap privé vermogen is. Hij heeft aan de wettelijke bepaling voldaan door zichzelf een inkomen uit te keren van ongeveer € 10.000 bruto per maand. Dit is marktconform. Aan de gemeenschap is dan ook een redelijke vergoeding ten goede gekomen in de vorm van zijn inkomen. De man en zijn maten hebben reserveringen gedaan voor toekomstig onderhoud aan de huisartsenpraktijk en voor software. Ook stelt de man dat er reserves in de onderneming moeten zijn om economisch minder goede tijden op te vangen.
De rechtbank volgt de man in zijn verweer en stelt vast dat het aandeel van de man in de maatschap buiten de gemeenschap valt. Mét de man is de rechtbank van oordeel dat het bedrag dat de man zichzelf tijdens het huwelijk aan inkomen heeft uitgekeerd aan de gemeenschap ten goede gekomen en dat het een redelijke vergoeding betreft.
Als er wordt gekeken naar de toename van het maatschapsaandeel van 2018 ten opzichte van 2024, kan daaruit worden afgeleid dat de man jaarlijks een bedrag van ruim € 20.000 heeft gereserveerd in de maatschap. De rechtbank is van mening dat dit niet ongebruikelijk of onredelijk is. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Praktische adviezen
- Met welk inkomen een rechter rekening houdt bij het vaststellen van partneralimentatie bij een ondernemer, is afhankelijk van de rechtsvorm van de onderneming. Het is verstandig om juridisch advies van een in familierecht gespecialiseerd advocaat in te winnen.
- Het inkomen van een ondernemer kan veranderen, is minder voorspelbaar dan iemand in loondienst en is hierdoor moeilijker vast te stellen. De rechter kijkt hierbij naar het verleden, het heden en de toekomst van de onderneming. Ook wordt rekening gehouden met de continuïteit van de onderneming. Daarnaast kijkt de rechter niet alleen naar wat een ondernemer aan zichzelf uitkeert, maar ook wat hij redelijkerwijs aan zichzelf zou kunnen uitkeren. Eveneens wordt er rekening gehouden met gedane en toekomstige investeringen in de onderneming.
- Welke vorderingen ingesteld kunnen worden, is mede afhankelijk van het huwelijksgoederenregime dat er is tussen partijen.
- Er moet achteraf worden vastgesteld of een ondernemer zichzelf tijdens het huwelijk/geregistreerd partnerschap een redelijk en marktconform salaris heeft uitgekeerd. Mocht dit niet het geval zijn, is het ondernemingsvermogen toegenomen tijdens het huwelijk/geregistreerd partnerschap en valt de onderneming buiten de gemeenschap, kan er een vordering tegen de ondernemer worden ingesteld.
.
Conclusie
De uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2026 bevestigt dat bij een echtscheiding, waarbij één van de of beide ex-partners een onderneming hebben, met meerdere zaken rekening moet worden gehouden.
Bij SPEE advocaten & mediation hebben wij ruimte ervaring in het familierecht, waaronder voor ondernemers. Wij begeleiden cliënten in Maastricht en daarbuiten met deskundig en betrokken advies. Heeft u vragen over een echtscheiding of wilt u weten wat deze uitspraak voor uw situatie kan betekenen, neem dan gerust contact met ons op.