28 apr 2026 De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: Een nieuw tijdperk voor het civiele bewijsrecht

De bewijsregels vormen het fundament van iedere civiele procedure: wie stelt, moet bewijzen. Sinds 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking. Deze wet brengt diverse aanpassingen met zich mee die het civiele bewijsrecht toegankelijker, efficiënter en duidelijker moeten maken. Voor procespartijen betekent dit vooral dat een procedure nog sterker vraagt om een goede voorbereiding, een volledig dossier en een doordachte processtrategie. Dit artikel geeft inzicht in de belangrijkste wetswijzigingen en de praktische gevolgen daarvan.

De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht

De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht stroomlijnt en verduidelijkt de mogelijkheden voor partijen om zowel voorafgaand aan als tijdens een civiele procedure toegang te krijgen tot relevante informatie en bewijs. De wetswijzigingen passen binnen de bredere ontwikkeling naar een civiele procedure waarin de rechter idealiter direct aan het einde van de mondelinge behandeling uitspraak kan doen.

Er is sprake van onmiddellijke werking van het procesrecht: de nieuwe regels gelden voor proceshandelingen die na 1 januari 2025 plaatsvinden. Dat betekent dat ook lopende procedures onder het nieuwe recht kunnen vallen, afhankelijk van het moment waarop een proceshandeling plaatsvindt.

Vijf jaar na inwerkingtreding wordt de wet geëvalueerd. Dan zal duidelijker worden in hoeverre deze wijzigingen daadwerkelijk bijdragen aan een efficiëntere en effectievere toepassing van het bewijsrecht.

Een aantal belangrijke wijzigingen

Voorlopige bewijsverrichtingen
In de praktijk kan een partij zich in een conflict bevinden waarbij het vermoeden bestaat dat zij juridisch sterk staat, maar onzeker is of dit ook voldoende kan worden bewezen. Direct procederen kan dan een grote en risicovolle stap zijn.

Voor zulke situaties bestaan verschillende voorlopige bewijsmaatregelen, zoals het voorlopig getuigenverhoor, het voorlopig deskundigenbericht en de inzagevordering op grond van artikel 843a Rv. Hiermee kan al vóór de mondelinge behandeling bewijs worden verzameld of informatie worden verkregen.

Sinds de wetswijziging zijn de regels hiervoor overzichtelijker geworden. Het is mogelijk om meerdere bewijsverrichtingen in één verzoekschrift te combineren. Dat betekent echter niet dat dit altijd volledig wordt toegewezen: de rechter kan verzoeken splitsen, gedeeltelijk afwijzen of afzonderlijk beoordelen.

Bij de beoordeling maakt de rechter een discretionaire afweging. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het bestaan van voldoende belang, proportionaliteit, mogelijke strijd met de goede procesorde en het voorkomen van zogenoemde fishing expeditions. Pas na deze inhoudelijke toets beslist de rechter of en in hoeverre het verzoek wordt toegewezen.

Verzwaarde substantiëringsplicht
Een andere belangrijke ontwikkeling is dat de rechter steeds vaker vanaf het begin het volledige plaatje wil zien. Waar procedures zich vroeger nog weleens stap voor stap ontwikkelden en informatie gaandeweg werd aangeleverd, ligt de nadruk nu sterker op een volledige en tijdige presentatie van het geschil.

Dit is geen volledig nieuwe verplichting, maar een versterking en explicitering van bestaande verplichtingen binnen het procesrecht. Wie een procedure start, moet vanaf het begin zo volledig mogelijk de relevante feiten, bewijsstukken en juridische standpunten aanvoeren, binnen redelijke grenzen.

Dat betekent bijvoorbeeld dat een werknemer die stelt dat zijn ontslag onterecht is, direct inzicht moet geven in het beschikbare bewijs. Denk aan ondersteunende e-mails, collega’s die als getuige kunnen optreden en bekende of redelijkerwijs voorzienbare verweren van de werkgever. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de werkgever.

Procederen zonder voldoende onderbouwing, in de hoop dat dit later kan worden aangevuld, wordt daarmee aanzienlijk lastiger.

De suggestiebevoegdheid van de rechter
Sinds 1 januari 2025 is expliciet in de wet opgenomen dat de rechter met partijen kan bespreken of de grondslag van hun vordering of verweer juist is of mogelijk moet worden aangepast.

De rechter mag daarbij actiever sturen door vragen te stellen en mee te denken, maar blijft gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd. De artikelen 24 en 25 Rv blijven daarbij leidend: de rechter mag geen geheel nieuwe feitelijke grondslag buiten het partijdebat introduceren en moet beslissen op basis van wat partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd.

Deze wetswijziging bevestigt daarmee vooral wat in de praktijk al gebruikelijk was, maar zorgt voor meer duidelijkheid over de rol van de rechter.

Het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling
De actieve rol van de rechter wordt verder versterkt doordat de rechter ambtshalve een bewijsopdracht kan geven en kan bepalen dat getuigen tijdens de mondelinge behandeling worden gehoord. Daarbij kan de rechter ook aangeven welke personen voor de bewijslevering relevant zijn.

In de praktijk is dit niet altijd eenvoudig: het kost veel tijd en getuigen zijn niet altijd gelijk beschikbaar. Toch kan deze aanpak veel opleveren.

Denk bijvoorbeeld aan een arbeidszaak over een ontslag op staande voet. Werknemer en werkgever hebben vaak een volledig verschillend beeld van wat er is gebeurd. Door de belangrijkste betrokkenen direct als getuigen te horen, kan sneller duidelijk worden wat zich feitelijk heeft afgespeeld.

Bewijswaardering
De rechter beschikte al over vrije bewijswaardering op grond van artikel 152 lid 2 Rv. Dat betekent dat de rechter in beginsel vrij is in de waardering van het beschikbare bewijs, tenzij de wet anders bepaalt.

De wetswijziging brengt vooral een verduidelijking aan ten aanzien van partijverklaringen. Explicieter wordt benadrukt dat ook verklaringen van partijen zelfstandig gewicht kunnen hebben binnen het bewijsrecht.

Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met factoren zoals de positie van degene die de verklaring aflegt, diens belang bij de uitkomst van de zaak, de geloofwaardigheid van de verklaring en de samenhang met het overige feiten- en bewijsmateriaal.

Conclusie

De wetswijzigingen zijn niet revolutionair, maar dwingen procespartijen wel tot een andere proceshouding. Partijen moeten in een vroeg stadium hun dossier op orde hebben, relevante bewijsstukken verzamelen en strategisch nadenken over de onderbouwing van hun standpunten.

Dit betekent in de praktijk dat zowel eisers als gedaagden eerder moeten anticiperen op de standpunten van de wederpartij. Zij moeten tijdig bepalen welke bewijsmiddelen nodig zijn en hoe zij hun standpunt juridisch consistent en overtuigend kunnen presenteren. Een goede dossieropbouw en weloverwogen processtrategie voorafgaand aan het starten van een procedure zijn daarmee belangrijker dan ooit.

De kern blijft echter onveranderd: het bewijsrecht moet bijdragen aan een beslissing die zoveel mogelijk recht doet aan de feiten. De wetgever heeft vooral de instrumenten aangescherpt om dat doel sneller en effectiever te bereiken.

De ervaren advocaten van SPEE advocaten & mediation begeleiden u uiteraard graag bij het kiezen van de juiste processtrategie en het zo optimaal mogelijk inzetten van bewijs.

SPEE advocaten & mediation Maastricht