Wanneer een nalatenschap beneficiair wordt aanvaard, treedt in beginsel de wettelijke vereffening van de nalatenschap in werking. Maar wat gebeurt er wanneer al snel blijkt dat er nauwelijks baten zijn en bovendien niet alle erfgenamen meewerken aan de afwikkeling? In een recente beschikking van de rechtbank Midden-Nederland staat de vraag centraal of enkele erfgenamen de opheffing van de vereffening kunnen verzoeken wanneer een andere erfgenaam niet meewerkt.
De beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap brengt mee dat de nalatenschap volgens de wettelijke regels moet worden vereffend. De erfgenamen treden daarbij op als vereffenaars en zijn gezamenlijk belast met de afwikkeling van de nalatenschap. In de praktijk kan echter blijken dat een nalatenschap nauwelijks baten bevat. In dat geval kan de kantonrechter de vereffening opheffen. In een beschikking van 19 januari 2026 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland zich uitgelaten over een verzoek tot opheffing van een vereffening wegens gebrek aan baten en over de vraag in hoeverre erfgenamen dat verzoek zelfstandig kunnen indienen.
Feiten
De zaak betrof de nalatenschap van een erflater die in 2023 is overleden. De erfgenamen hadden de nalatenschap beneficiair aanvaard. Twee van hen verzochten de kantonrechter om de vereffening van de nalatenschap op te heffen. Een derde erfgenaam werd in de procedure als belanghebbende betrokken.
De kantonrechter stelt vast dat de erfgenamen door de beneficiaire aanvaarding op grond van artikel 4:198 BW gezamenlijk vereffenaar zijn geworden. Daarmee zijn zij in beginsel gezamenlijk bevoegd om de taken van vereffenaar uit te oefenen.
In deze procedure was het verzoek echter slechts door twee erfgenamen ingediend. De derde erfgenaam is door de griffier in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten en om het verzoek op een zitting te laten behandelen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Beoordeling door de kantonrechter
De kantonrechter gaat allereerst in op de vraag of de verzoekers bevoegd zijn om het verzoek tot opheffing van de vereffening in te dienen. Vaststaat dat de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Dat betekent dat zij op grond van artikel 4:198 BW gezamenlijk vereffenaar zijn van de nalatenschap en in beginsel gezamenlijk bevoegd zijn om de vereffeningstaken uit te voeren, waaronder het verzoeken om opheffing van de vereffening.
In deze procedure was het verzoek echter slechts door twee van de drie mede-erfgenamen ingediend. De derde mede-erfgenaam heeft niet gereageerd op een brief van de griffier waarin hij in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. In die brief is namens de kantonrechter tevens het voornemen geuit om op grond van artikel 4:198 BW aan de verzoekers de bevoegdheid toe te kennen om gezamenlijk het verzoek tot opheffing van de vereffening in te dienen. Nu daarop geen reactie is gevolgd, bepaalt de kantonrechter dat de verzoekers dit verzoek gezamenlijk mogen doen zonder medewerking van de derde mede-erfgenaam.
Vervolgens beoordeelt de kantonrechter of aan de materiële voorwaarden voor opheffing van de vereffening is voldaan. Op grond van artikel 4:209 lid 1 BW kan de kantonrechter de opheffing van de vereffening bevelen wanneer de geringe waarde van de baten van de nalatenschap daartoe aanleiding geeft. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer uit de activa van de nalatenschap de preferente schuldeisers slechts gedeeltelijk kunnen worden voldaan.
Uit de overgelegde boedelbeschrijving blijkt volgens de kantonrechter dat de preferente schuldeisers uit de tot de nalatenschap behorende activa slechts gedeeltelijk kunnen worden voldaan. Daarom beveelt de kantonrechter de opheffing van de vereffening van de nalatenschap wegens gebrek aan baten.
Lees de volledige beschikking hier.
Betekenis voor de praktijk
De beschikking laat zien dat bij nalatenschappen met zeer beperkte baten een verzoek tot opheffing van de vereffening een praktisch instrument kan zijn om de wettelijke vereffeningsprocedure te beëindigen.
Daarbij is van belang dat artikel 4:209 BW bepaalt dat een dergelijk verzoek kan worden gedaan door de vereffenaar of een belanghebbende. Dat betekent dat een verzoek tot opheffing van de vereffening niet noodzakelijkerwijs door alle erfgenamen-vereffenaars gezamenlijk hoeft te worden ingediend conform artikel 4:198 BW. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde op 19 maart 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:707) eerder al dat een verzoek tot opheffing van de vereffening niet steeds door alle erfgenamen-vereffenaars gezamenlijk hoeft te worden gedaan.
De beschikking van de kantonrechter sluit aan bij deze lijn. Ook hier wordt aanvaard dat enkele erfgenamen het verzoek kunnen indienen, terwijl een andere erfgenaam niet meewerkt. Daarmee bevestigt de kantonrechter dat het ontbreken van medewerking van één van de vereffenaars niet in de weg hoeft te staan aan het doen van een verzoek tot opheffing van de vereffening.
Tegelijkertijd moet worden bedacht dat de vereffeningsprocedure juist is ingericht om een zorgvuldige en geordende afwikkeling van de nalatenschap te waarborgen, met bescherming van schuldeisers. Een verzoek tot opheffing van de vereffening op grond van artikel 4:209 BW kan daarom niet te lichtvaardig worden toegewezen. Bij de beoordeling moet niet uitsluitend worden gekeken naar het saldo van de nalatenschap, maar naar de vraag of daadwerkelijk sprake is van een gebrek aan baten in de zin van de wet.
Heeft u vragen over vereffening van een nalatenschap, beneficiaire aanvaarding of over bevoegdheden van erfgenamen? Neem dan gerust contact op met de erfrechtadvocaten van SPEE advocaten & mediation. Wij denken graag met u mee.