Woonlasten bij kinderalimentatie

Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt vaak gediscussieerd over de vraag met welke woonlasten rekening mag worden gehouden bij de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige. Moet uitgegaan worden van een forfaitair bedrag, zoals de Expertgroep Alimentatienormen adviseert, of moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke woonlasten? De Hoge Raad deed hier recent uitspraak over.

Sinds 2013 is voor de berekening van de kinderalimentatie gekozen voor een forfaitair rekensysteem. Dit om de voorspelbaarheid van kinderalimentatie te vergroten en het aantal wijzigingsprocedures te minimaliseren.

Beide ouders zijn verplicht om naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kind. Voor de vaststelling van alimentatie wordt uitgegaan van de zogenaamde “Tremanormen”. Dit zijn niet bindende richtlijnen die zijn opgesteld door de Expertgroep Alimentatie. Van deze richtlijnen wordt door rechters niet snel afgeweken.

Uit de Tremanormen volgt, dat bij de berekening van de draagkracht van de alimentatieplichtige voor wat betreft de woonlast uitgegaan dient te worden van 30% van het netto besteedbaar inkomen.

In de jurisprudentie komt steeds vaker de vraag aan de orde of kan worden afgeweken van het forfaitaire rekensysteem als sprake is van lagere woonlasten.

In de zaak waarover de Hoge Raad hier moest oordelen klaagde de moeder erover, dat het Hof bij de vaststelling van de alimentatie ten onrechte was uitgegaan van de forfaitaire woonlast. Zij stelde zich op het standpunt dat rekening gehouden moest worden met de werkelijke woonlasten van de vader omdat deze aanmerkelijk lager waren dan het forfaitaire bedrag. De vader had ervoor gekozen om zijn woonlasten bewust laag te houden door de overwaarde van het vorige huis te investeren in zijn nieuwe woning. Hij had daardoor een woonlast van slechts € 95,- terwijl de forfaitaire woonlast € 678,30 per maand bedroeg.

De keuze van de vader om zijn eigen vermogenspositie op de door hem gewenste wijze in te richten maakten volgens het Hof niet dat er sprake was van een dusdanig uitzonderlijke situatie dat van het forfaitair stelsel moest worden afgeweken.

De Hoge Raad zag dat anders.

De Hoge Raad overwoog dat het hanteren van een forfaitaire woonlast in beginsel niet in strijd is met wettelijke maatstaven.

Echter, op het moment dat bij het rekenen met een forfaitaire woonlast de ouders niet in de behoefte van het kind kunnen voorzien én er aanwijzingen zijn dat de woonlast van (een van) de ouders duurzaam aanzienlijk lager is dan het forfaitaire bedrag, dan zal de rechter steeds moeten nagaan of de draagkracht van die ouder bij toepassing van de werkelijke woonlast zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage voor het kind. Is dat het geval, dan dient de rechter de hogere bijdrage op te leggen, of in elk geval te motiveren waarom daar gelet op de omstandigheden van het geval, geen aanleiding voor is.

Aangezien het Hof dat in dit geval niet had gedaan, vernietigde de Hoge Raad de uitspraak en verwees de zaak naar een ander Hof ter verdere beoordeling en beslissing.

Er dient bij elke zaak dus kritisch gekeken te worden of het rekenen met een forfaitaire woonlast wel recht doet aan de situatie.

Heeft u vragen over kinderalimentatie of wenst u een verzoek te doen tot vaststelling of wijziging van de kinderalimentatie? Neem dan vrijblijvend contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.

SPEE advocaten & mediation Maastricht