Search
Close this search box.
9 dec 2020 Arbeidsovereenkomst of niet? Partijbedoeling speelt geen rol bij kwalificatie

Is er sprake van een arbeidsovereenkomst of toch niet? Die vraag zien we geregeld terugkeren in onze praktijk. De Hoge Raad heeft op 6 november 2020 een belangrijke uitspraak gedaan: de partijbedoelingen spelen bij de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst géén rol.

De zaak die ter beoordeling voorlag, betrof een vrouw met een IOAW-uitkering. Zij verrichtte met behoud van uitkering werkzaamheden bij de gemeente Amsterdam, in het kader van haar re-integratie. Het ging om een zogenaamde ‘participatieplaats’ (in de zin van de Participatiewet), voor een periode van twee maal zes maanden. Na afloop van beide periodes ontving de vrouw een (stimulerings)premie omdat zij voldoende had meegewerkt aan het participatietraject.

De vrouw stelde dat zij dezelfde werkzaamheden verrichtte als uitzendkrachten en dat er dus sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst (met het bijbehorende recht op loon).

De kantonrechter in eerste aanleg en vervolgens het gerechtshof in hoger beroep gaan daar echter niet in mee. Het hof overweegt onder meer dat de wetgever niet heeft bedoeld om een participatieplaats (tevens) als een arbeidsovereenkomst aan te merken, en dat het plaatsingstraject van de vrouw is vormgegeven overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Niet kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de plaatsing van de vrouw in het participatietraject het de bedoeling van partijen is geweest om (ook) een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Er is geen sprake van recht op loon.

De vrouw in kwestie is het hier niet mee eens en stelt beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Hier wordt het juridisch gezien interessant. Wat besproken wordt, is de zogenaamde Groen/Schoevers-maatstaf. Die maatstaf geldt al meer dan twintig jaar, bij de beantwoording van de vraag hoe beoordeeld moet worden of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Deze maatstaf luidt:

“(…) De Rechtbank heeft, nu — anders dan bij Schoevers bij het sluiten van arbeidsovereenkomsten gebruikelijk — geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt, deze vraag beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij zij doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de vraag of partijen totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd. Hiermee heeft de Rechtbank kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten.”

In het arrest van 6 november 2020 oordeelt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst, slechts moet worden nagegaan of de inhoud van de overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, namelijk artikel 7:610 BW. Het is daarbij volgens de Hoge Raad niet van belang of partijen het sluiten van de arbeidsovereenkomst hebben beoogd.

Deze kwalificatie van een overeenkomst moet echter wel worden onderscheiden van de vraag die daaraan voorafgaat, namelijk: welke rechten en verplichtingen zijn partijen overeengekomen (dus de inhoud van de overeenkomst)? De inhoud van de overeenkomst moet aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf worden beantwoord. Bij die maatstaf kunnen de bedoelingen van partijen juist wel weer een rol spelen.

Slotsom: volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof een onjuiste maatstaf gehanteerd bij de beoordeling van de zaak. Toch blijft de uitspraak van het hof wel in stand, aangezien het hof óók heeft beoordeeld of de afspraak over het verrichten van werkzaamheden de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Het cassatieberoep van de vrouw wordt dan ook verworpen: er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst en dus ook geen recht op loon.

Prangende arbeidsrechtelijke vragen? De advocaten van SPEE advocaten & mediation staan voor u klaar.

SPEE advocaten & mediation Maastricht

Zoeken

Recente artikelen