Search
Close this search box.
13 aug 2021 Ontruimingsbescherming bij de huur van bedrijfsruimte

Na opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder geniet de huurder van een bedrijfsruimte soms ontruimingsbescherming. Deze wettelijke ontruimingsbescherming is echter beperkt. Wat houdt deze ontruimingsbescherming in?

Het huurrecht kent twee soorten bedrijfsruimtes. Enerzijds is er de winkelruimte of de 290-bedrijfsruimte. Het gaat hierbij niet alleen om winkelruimtes maar om alle voor het publiek toegankelijke ruimtes waar producten of diensten worden geleverd. Daarnaast is er een restcategorie die de 230a-bedrijfsruimte of overige bedrijfsruimte wordt genoemd. Hieronder valt bijvoorbeeld kantoorruimte of opslagruimte.

Op beide soorten bedrijfsruimtes zijn andere wettelijke regels van toepassing. Als er sprake is van huur van zogenaamde ‘overige bedrijfsruimte’, dan is de enige bescherming die de huurder na een rechtsgeldige opzegging van de huurovereenkomst heeft, de ontruimingsbescherming.

Ontruimingsbescherming betekent dat de huurder de bedrijfsruimte nog niet hoeft te verlaten (en op te leveren) op de dag dat de huurovereenkomst eindigt. De verplichting om het gehuurde te ontruimen wordt van rechtswege namelijk geschorst voor een periode van twee maanden. De huurder mag dus zelfs nadat de huurovereenkomst officieel is beëindigd nog twee maanden met al zijn spullen in het gehuurde blijven zitten.

De wettelijke termijn van ontruimingsbescherming van twee maanden start vanaf het moment waartegen de ontruiming is aangezegd. Belangrijk is dus dat de verhuurder niet vergeet om deze aanzegging te doen, omdat anders de twee-maanden-termijn niet gaat lopen. Als verhuurder doe je er dus verstandig aan tegelijk met de opzegging van de huurovereenkomst te benoemen dat het pand op dezelfde datum ontruimd dient te worden. De ontruiming kan niet aangezegd worden  tegen een tijdstip gelegen vóór het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt.

De huurder heeft de mogelijkheid om binnen de periode van twee maanden  bij de rechter een verzoek te doen tot verlenging van de termijn waarbinnen hij het gehuurde moet ontruimen. Op die manier kan hij bewerkstelligen dat hij nog langer dan twee maanden extra in het gehuurde kan blijven zitten. Doet de huurder dit niet, dan moet hij na twee maanden de ruimte daadwerkelijk  hebben verlaten.

Wanneer de huurder een verzoekschrift bij de rechter indient, blijft de ontruimingsbescherming lopen totdat de rechter  uitspraak heeft gedaan. Om maximaal gebruik te kunnen maken van de ontruimingsbescherming zal een huurder vaak wachten met indiening van het verzoek tot het einde van de wettelijke ontruimingsbescherming van twee maanden.

Of de rechter een verlengingsverzoek zal toewijzen, hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechter wijst een verzoek tot verlenging alleen toe als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door huurder. De rechter wijst een verzoek tot verlenging af als de verhuurder aannemelijk maakt dat de huurder onbehoorlijk gebruik maakt van het gehuurde, ernstige overlast geeft of van een zodanige wanbetaling sprake is dat het niet van de verhuurder gevergd kan worden dat de huurder nog langer van het gehuurde gebruik maakt.

De rechter kan de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden in eerste instantie verlengen tot maximaal een jaar na het eindigen van de huurovereenkomst. Vervolgens kan de termijn nog twee keer met een jaar worden verlengd. Bij afwijzing van het verzoek stelt de rechter een datum vast waarop de huurder het gehuurde moet ontruimen.

De huurder moet in de periode van ontruimingsbescherming  een gebruiksvergoeding aan de verhuurder betalen. Als huurder en verhuurder het over de hoogte van deze vergoeding niet eens worden, kan de rechter de hoogte hiervan vaststellen. Vaak wordt de vergoeding vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan de hoogte van de laatst betaalde huurprijs, inclusief een eventuele indexering van de huurprijs. Het kan zo zijn dat, als het prijspeil ter plaatse veel hoger is dan de dan geldende huurprijs, de gebruiksvergoeding hoger wordt vastgesteld dan de tot dan geldende huurprijs.

Tot slot is van belang dat voor een huurder geen beroep op de ontruimingsbescherming open staat op het moment dat hij zelf de huur heeft opgezegd, uitdrukkelijk met beëindiging van de huurovereenkomst heeft ingestemd of is veroordeeld tot ontruiming omdat hij zijn verplichtingen als huurder niet is nagekomen. Een verhuurder doet er dus goed aan om te proberen de huurder schriftelijk met beëindiging van de huurovereenkomst in te laten stemmen.

Heeft u vragen of hulp nodig bij het beëindigen van een huurovereenkomst, neem dan gerust vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. We zijn u graag van dienst.

SPEE advocaten & mediation Maastricht

Zoeken

Recente artikelen