Search
Close this search box.
1 dec 2023 Mededelingsplicht bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst

Een verzekeringnemer heeft bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst een precontractuele mededelingsplicht (art. 7: 928 BW). Wanneer deze mededelingsplicht wordt geschonden kan dit ingrijpende gevolgen hebben. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs in een kwestie waarin de uitleg over een vraag naar het strafrechtelijk verleden centraal stond. De verzekeraar weigerde dekking met een beroep op verzwijging.

De feiten

Als gevolg van brand was er schade ontstaan in een Grand Café. Verzekeringnemer, beherend vennoot en bestuurder van het Grand Café vroeg de verzekeraar om dekking te verlenen, hetgeen door de verzekeraar met een beroep op verzwijging werd geweigerd. Volgens de verzekeraar had op het aanvraagformulier, vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst, het strafrechtelijk verleden vermeld moeten worden van de broer van verzekeringnemer, vanwege diens feitelijke werkzaamheden en nauwe betrokkenheid bij de onderneming. Er was volgens de verzekeraar sprake van opzettelijke misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW. De verzekeringsovereenkomst zou bij een juiste voorstelling van zaken niet zijn gesloten.

De verzekeringnemer startte een procedure en vorderde betaling door de verzekeringsmaatschappij van de brandschade voor een bedrag van meer dan € 350.000,- De rechtbank wees in eerste instantie de vordering van de verzekeringnemer af omdat de verzekeringnemer onvoldoende bestreden zou hebben dat zij slechts op papier bestuurder was en haar broer de werkelijke bestuurder. Het hof dacht hier echter anders over en kwam tot het oordeel dat de verzekeringsmaatschappij geen beroep op verzwijging toekwam.

Standpunten partijen

De verzekeringsmaatschappij had aan haar beroep op verzwijging ten grondslag gelegd dat in de slotverklaring van het aanvraagformulier een ontkennend antwoord was gegeven op de vraag: :”Bent u, het bedrijf of een medebestuurder van het bedrijf in de loop van de laatste 8 jaar door de strafrechter veroordeeld wegens een vermogens- of geweldsmisdrijf ?”

Volgens de verzekeringsmaatschappij moest verzekeringnemer begrijpen dat haar broer feitelijk zodanig betrokken was bij de onderneming dat in antwoord op deze vraag melding gemaakt had moeten worden van zijn strafrechtelijk verleden.

Volgens de verzekeringnemer werd in de slotverklaring uitsluitend gevraagd naar het strafrechtelijk verleden van de bestuurders en het bedrijf zelf. Zij heeft mogen begrijpen dat het bij de beantwoording van deze vraag ging om de personen die formeel bestuurder waren en als zodanig waren geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ten tijde van het invullen van het formulier waren dat alleen verzekeringnemer en haar ouders. Haar broer was uitsluitend gevolmachtigde, zoals ook in het handelsregister was vermeld. Hij was in dienst als chef-kok en gaf in die functie leiding aan het keukenpersoneel.

Oordeel gerechtshof

Het hof stelde voorop dat op grond van artikel 7:928 lid 1 BW de verzekeringnemer verplicht is voor het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Lid 5 van artikel 7:928 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen.

Als de verzekering is gesloten op de grondslag van een door verzekeraar opgestelde vragenlijst, kan deze zich er niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord of feiten waarnaar niet was gevraagd niet zijn medegedeeld en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord (art. 7:928 lid 6 BW). Met een dergelijke vragenlijst geeft de verzekeraar te kennen dat de feiten waarnaar in die lijst wordt gevraagd, voor hem van belang zijn, maar de lijst suggereert ook dat andere feiten haar niet interesseren. De toevoeging aan de vragenlijst van een in algemene termen luidende slotvraag neemt die suggestie niet weg. Een en ander lijdt alleen uitzondering als is gehandeld met het opzet om de verzekeraar te misleiden: het opzet de verzekeraar te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de gestelde verzwijging en opzet tot misleiding, rusten op verzekeraar.

Gelet op de ingrijpende gevolgen van een geslaagd beroep op verzwijging moeten dus strenge eisen aan de formulering van de vragen in het aanvraagformulier worden gesteld: deze moeten voldoende duidelijk zijn en niet voor enig misverstand vatbaar.

Aan die eis van duidelijkheid was naar het oordeel van het hof in dit geval niet voldaan.

De verzekeringsmaatschappij had onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om het oordeel te rechtvaardigen dat de verzekeringnemer of haar medebestuurders uit de vragenlijst hadden moeten begrijpen dat niet alleen het strafrechtelijk verleden moest worden vermeld van de personen die op het moment van het invullen van de vragenlijst formeel bestuurder waren, maar ook van hen die intensief bij de bedrijfsvoering betrokken waren. De lijst suggereerde immers dat het de verzekeraar alleen te doen was om het bedrijf zelf en haar bestuurders. Het had op de weg van verzekeraar gelegen om expliciet te benoemen, in exacte bewoordingen, dat zij met de betreffende vraag ook het oog had op personen die bij de bedrijfsvoering nauw betrokken waren of het bedrijf feitelijk leidden.

Naar het oordeel van het hof had de verzekeringsmaatschappij ook onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat verzekeringnemer haar opzettelijk heeft willen misleiden door zichzelf en haar ouders (op papier) als vennoot en bestuurder te presenteren en haar broer buiten het zicht van verzekeraar te houden, terwijl deze in werkelijkheid de onderneming (mede) bestuurde.

Deze kwestie liep voor de verzekeringnemer dus alsnog goed af. De verzekeraar moest de materiële schade en gedeeltelijk de bedrijfsschade vergoeden.

Gevolgen verzwijging en wetswijziging per 1 juli 2023

In het geval een beroep op verzwijging wel wordt gehonoreerd kan dit vergaande gevolgen hebben. Zo kan de verzekeraar de verzekering onmiddellijk opzeggen als sprake is van opzettelijke verzwijging of als zonder verzwijging geen verzekering zou zijn overeengekomen (zie artikel 7:929 lid 2 BW).

Ook kan dit gevolgen hebben voor het recht op uitkering.

Art. 7: 930 lid 4 BW bepaalt bijvoorbeeld dat indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten er geen uitkering verschuldigd is.

Per 1 juli 2023 is het vierde lid van artikel 7:930 gewijzigd en is het volgende toegevoegd: “De verzekeringnemer die te goeder trouw heeft gehandeld, is in dit geval evenmin premie verschuldigd. De verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten.

Eerst had de verzekeringnemer bij een beëindiging van de verzekering door de verzekeraar wegens verzwijging geen recht op restitutie van de al betaalde premie. Nu is dat onder voorwaarden wel mogelijk geworden. De eerste voorwaarde is dat de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken (dus zonder verzwijging) geen verzekering zou hebben gesloten. Als de verzekeraar wel een verzekering zou hebben afgesloten maar op basis van andere voorwaarden, geldt dit recht op premierestitutie niet.
De tweede voorwaarde is dat de verzekeringnemer te goeder trouw moet hebben gehandeld.

Van belang hierbij is dat als de verzekeringnemer een consument is, er niet ten nadele van de verzekeringnemer in de polisvoorwaarden van deze bepaling worden afgeweken. Bij zakelijke verzekeringen is het wel mogelijk om overeen te komen dat in een dergelijk geval geen recht bestaat op teruggave van betaalde premie.

Deze wijziging is per 1 juli 2023 ingegaan, óók voor lopende verzekeringen. Voor verzwijgingskwesties waarbij de verzwijging vóór 1 juli 2023 door de verzekeraar is ontdekt, bestaat dit recht op premierestitutie echter niet.

Heeft u vragen of advies nodig over uw verzekeringsovereenkomst? Neem dan vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Wij zijn u graag van dienst.

SPEE advocaten & mediation Maastricht

Zoeken

Recente artikelen