De relatie tussen welstand ouders en hoogte kinderalimentatie, hoe zit dat?

Kinderen hebben tijdens de relatie van hun ouders een bepaalde welstand. De bedoeling is dat zij deze welstand blijven behouden als de ouders uit elkaar gaan. Kinderalimentatie wordt berekend aan de hand van de zogenaamde ‘’Tremanormen”. De behoefte van een kind aan een bijdrage van de ouders wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat het gezin te besteden had, het aantal kinderen binnen het gezin en hun leeftijd. Vervolgens wordt met een zogenaamde draagkrachtberekening berekend in hoeverre de behoefte van het kind door beide ouders moet worden vervuld. Dit begrenst de onderhoudsverplichting. Uitgangspunt is dus dat er wordt gekeken naar het inkomen van de ouders maar dat is niet altijd het geval.

Feiten

Bij het Hof Arnhem kwam een kwestie aan de orde waarbij partijen acht maanden na de geboorte van hun dochter hun relatie hadden verbroken. Zij woonden samen in een woning die door de ouders van de man beschikbaar was gesteld. De vrouw vertrok met de dochter van partijen naar haar ouders. De man diende een verzoek in bij de rechter tot gezamenlijk gezag ( hij had zijn dochter wel erkend) en tot vaststelling van een omgangsregeling. De vrouw diende daarop een zelfstandig verzoek in tot vaststelling van kinderalimentatie van € 300,- per maand. Volgens de man was hij slechts in staat € 25,- per maand te betalen. Het verzoek van de vrouw werd door de rechtbank toegewezen, hetgeen voor de man aanleiding was om hoger beroep in te stellen.

Oordeel Hof

Het Hof oordeelde als volgt:

“Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat de in geding zijnde onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van de minderjarige en anderzijds de draagkracht van de ouders.

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het NIBUD een forfaitair systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie’. Aan de hand van het netto besteedbare gezinsinkomen, en het aantal en de leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen, wordt aan de hand van een tabel bepaald wat de behoefte is van het betreffende kind.

Bovenvermeld systeem maakt onderdeel uit van het rapport Alimentatienormen, dat wordt gepubliceerd door de Expertgroep Alimentatienormen. De daarin opgenomen aanbevelingen zijn opgesteld met het oog op uniforme rechtstoepassing maar vormen geen recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Het staat de rechter vrij in een voorkomend geval daar van af te wijken (vgl. Hoge Raad 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478).

In het onderhavige geval staat vast dat de minderjarige in ruime welstand heeft geleefd bij de ouders maar ook dat die welstand niet de resultante was van eigen inkomsten van de ouders. Partijen werden in die periode, naar niet in geschil is, grotendeels onderhouden door de ouders van de man. Zo had de woning waar partijen hebben samengewoond een WOZ-waarde van ruim € 800.000,- maar is er feitelijk geen huur voor betaald. Ook voorzagen de ouders van de man partijen van bijvoorbeeld een auto en kleding. De vermogende ouders van de man lieten na hun vorderingen op de man te innen, deden schenkingen aan de man en de vrouw (en de minderjarige) in geld en/of natura en betaalden vrijwel alle (vaste) lasten voor de ouders. Zij zorgden kortom grotendeels voor het levensonderhoud van hun zoon en daarmee ook van de vrouw en de minderjarige en bepaalden in feite het niveau van de welstand van dit gezin.

De behoeftebepaling van een minderjarige die in gezinsverband met de ouders heeft geleefd strekt er in beginsel toe de welstand die het kind gewoon was zoveel mogelijk te laten continueren na het verbreken van de samenleving van de ouders. Daarbij is het naar het oordeel van het hof in principe niet van belang waar die welstand vandaan komt. In zoverre is in dit geval het feit dat die welstand niet door de ouders zelf is bewerkstelligd onvoldoende reden om voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige niet uit te gaan van de welstand van het (toenmalige) gezin. Hier doet zich echter de bijzonderheid voor dat die welstand, gelet op de wijze waarop die werd ingevuld, niet of nauwelijks is te vertalen naar de forfaitaire systematiek voor het bepalen van de behoefte van een minderjarige. Immers, een netto gezinsinkomen waaruit vervolgens een behoeftebedrag kan worden afgeleid is daaruit eigenlijk niet te destilleren. Daar komt nog bij dat de minderjarige ook maar een zeer korte periode na haar geboorte van zo’n acht maanden in gezinsverband met haar beide ouders in die ruime welstand heeft geleefd. Naar het oordeel van het hof doet zich hier dan ook een (atypisch) geval voor waarin de forfaitaire systematiek als hiervoor bedoeld niet zonder meer geschikt is voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige.

Namens de vrouw is ter zitting opgemerkt dat het niet mogelijk is de behoefte van de minderjarige precies vast te stellen maar dat de vrouw gelet op de welstand waarin partijen hebben geleefd, uitgaat van een (redelijke) behoefte van de minderjarige van € 700,- per maand inclusief een bedrag van € 150,- per maand voor de (door haar geschatte) gemiddelde netto kosten van kinderopvang. Desgevraagd is namens de man ter zitting aangegeven dat hij uitgaat van een (redelijke) behoefte van de minderjarige van maximaal € 300,- per maand inclusief de netto kosten van kinderopvang van ca € 150,- per maand. Het hof is van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde hoge behoefte van € 700,- per maand onvoldoende heeft onderbouwd. Anderzijds vindt het hof het door de man genoemde bedrag van € 150,- per maand (de door de man genoemde behoefte exclusief de kosten van kinderopvang) niet realistisch gelet op de niet betwiste ruime welstand waarin destijds is geleefd. Alles afwegende zal het hof naar redelijkheid uitgaan van een behoefte van € 500,- per maand inclusief voormeld bedrag aan kosten van kinderopvang.”

Het aandeel van partijen in de behoefte

Vervolgens moest nog het aandeel van partijen in de behoefte naar rato van hun draagkracht worden bepaald. Partijen zijn immers samen verantwoordelijk voor het onderhoud van hun dochter. Volgens het Hof had de vrouw, die zelfstandig ondernemer was, haar actuele feitelijk inkomen onvoldoende onderbouwd met relevante bescheiden.
Er waren ook geen feiten en omstandigheden gebleken die tot conclusie zouden moeten leiden dat in redelijkheid van de vrouw niet kon worden gevergd een deel van de behoefte van de dochter voor haar rekening te nemen. De man had zijn actuele inkomenssituatie wel onderbouwd. Vast stond in dit verband dat de ouders van de man nog steeds zijn lasten betaalden en dat de man inkomsten uit vermogen had. De man had daarnaast ten minste één aanbod voor een dienstverband op zijn vakgebied afgewezen mede omdat hij zijn al jaren verlieslijdende onderneming nog een kans wil geven. Volgens het Hof koos de man in feite, terwijl hij een goede opleiding en werkervaring heeft en geen sprake is van belemmeringen voor de arbeidsmarkt, ervoor om door te gaan met de niet rendabele onderneming en financieel afhankelijk te zijn van zijn ouders in plaats van zelf in zijn onderhoud te voorzien. Deze keuze mocht naar het oordeel van het hof echter niet ten koste gaan van de onderhoudsplicht die hij als ouder naar zijn kind heeft. Niets stond de man eraan in de weg in loondienst te gaan en zo nodig zijn huidig of toekomstig vermogen aan te spreken teneinde in (een deel van) de behoefte van zijn dochter te kunnen voorzien. Het hof zag aanleiding om naar redelijkheid te bepalen dat partijen ieder de helft van de behoefte van de dochter voor hun rekening dienen te nemen. Dit betekent dat aan de man een bijdrage werd opgelegd van € 250,- per maand.

Heeft u vragen over de vaststelling of wijziging van kinderalimentatie? Neem dan vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Wij zijn u graag van dienst.

SPEE advocaten & mediation Maastricht